Uit wetenschappelijk onderzoek naar de gezondheidseffecten van antennes is naar voren gekomen dat bij hoge veldsterktes het lichaam op kan warmen. Om onnodige opwarming te voorkomen, zijn blootstellingslimieten opgesteld. Deze limieten geven de maximale waarden aan waar een persoon aan mag worden blootgesteld.
De blootstellinglimieten zijn vastgesteld door ICNIRP, de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP). Deze commissie bestaat uit een groep onafhankelijke wetenschappers. ICNIRP heeft internationale richtlijnen vastgesteld voor de blootstelling van de mens aan elektromagnetische velden in het frequentiegebied van 0 Hz tot 300 GHz. Binnen dit gebied vallen ook de frequenties voor mobiele telecommunicatie (100 kHz tot 300 GHz). In 1999 heeft de Raad van Europa de richtlijnen van ICNIRP aanbevolen aan haar lidstaten. Nederland hanteert de richtlijnen van ICNIRP.
| Frequentie | Algemeen publiek |
Werknemers |
|
10-400 MHz |
28 V/m |
61 V/m |
|
900 MHz (gsm) |
41 V/m |
90 V/m |
|
1800 MHz (gsm) |
58 V/m |
127 V/m |
|
2100 MHz (UMTS) en hoger |
61 V/m |
137 V/m |
SAR-waarde als uitgangspunt
Om de blootstellingslimieten te berekenen, is gebruik gemaakt van de zogenaamde
SAR-waarde (Specific Absorption Rate). Dit is een maat voor de hoeveelheid
energie die door het lichaam wordt opgenomen als het zich in een
elektromagnetisch veld bevindt. Als er te veel energie-opname is, dan zorgt dit
voor verwarming.
Op basis van wetenschappelijke gegevens is vastgesteld dat bij langdurige blootstelling aan elektromagnetische velden de lichaamstemperatuur niet meer dan 1 graad Celsius mag toenemen. Is dit wel het geval, dan kunnen er gezondheidsproblemen ontstaan. ICNIRP heeft berekend dat als de SAR-waarde onder de 4 Watt per kilogram (W/kg) blijft, deze gezondheidseffecten voorkomen worden .
SAR-waarde voor blootstelling van het hele lichaam
Om er zeker van te zijn dat niemand, dus ook kwetsbare groepen zoals kinderen,
zwangere vrouwen, ouderen en zieken, te veel wordt opgewarmd door radiogolven,
is een veiligheidsmarge toegepast. Voor het algemene publiek geldt een
veiligheidsfactor van 50, voor de beroepsbevolking een factor 10. De
limietwaarde voor het algemene publiek komt daarmee op 0,08 W/kg en voor de
beroepsbevolking op 0,4 W/kg. Deze waarden hebben betrekking op blootstelling
aan het hele lichaam. De veiligheidsmarge bij de beroepsbevolking is lager omdat
er van uit wordt gegaan dat de blootstelling niet langer dan acht uur per dag
duurt. Ook zijn ze geïnformeerd over eventuele risico's en te nemen maatregelen.
SAR-waarde van mobiele telefoons
Bij gebruik van een mobiele telefoon wordt slechts een gedeelte van het lichaam
blootgesteld, namelijk het hoofd en de hand die de mobiele telefoon vasthoudt.
Omdat bij gebruik van een mobiele telefoon slechts een deel van het lichaam
wordt blootgesteld, treden eventuele temperatuurstijgingen alleen in het hoofd
en de hand op. Voor blootstelling van alleen delen van het lichaam heeft ICNIRP
hogere SAR-waarden vastgesteld. Voor de algemene bevolking geldt voor het hoofd
een SAR van 2 W/kg en voor de hand een waarde van 4 W/kg. Voor de
beroepsbevolking gelden waarden van 10 W/kg voor het hoofd en 20 W/kg voor de
hand.
Basisbeperkingen en referentiewaarden
ICNIRP maakt onderscheid tussen zogenaamde basisbeperkingen en refentiewaarden.
Referentiewaarden zijn afgeleide waarde van de basisbeperkingen. De
basisbeperkingen zijn de SAR-waarden: de maximale waarden die direct in verband
gebracht kunnen worden met een gezondheidseffect. Deze worden weergegeven in
W/kg.
De opname van warmte in het lichaam is niet eenvoudig te bepalen. Dit kan namelijk alleen in het lichaam zelf worden gemeten. Het is niet gewenst om dit soort metingen op grote schaal uit te voeren. Daarom wordt de energieopname omgerekend naar een relatief eenvoudig te meten waarde: de elektrische veldsterkte in de lucht, uitgedrukt in Volt per meter (V/m). Dit worden de referentiewaarden genoemd.
De referentiewaarden zijn afhankelijk van de frequentie waarop wordt uitgezonden, omdat elektromagnetische velden met verschillende frequenties meer of minder diep in het lichaam kunnen doordringen. Dit betekent hoe hoger de frequentie, hoe hoger de blootstellingslimiet.
Referentiewaarden kunnen alleen worden afgeleid voor situaties op enige
afstand van de antenne, in het zogenoemde verre veld.
De referentiewaarden zijn een hulpmiddel om te bepalen of aan de
basisbeperkingen wordt voldaan. Als de referentiewaarden niet worden
overschreden, dan wordt ook de basisbeperking niet overschreden. Worden de
referentiewaarden wel overschreden, dan moet op andere wijze worden nagegaan of
aan de basisbeperking wordt voldaan. Als gesproken wordt van
blootstellingslimieten worden eigenlijk de referentiewaarden bedoeld.
Meten van blootstelling
De referentiewaarden kunnen worden gemeten met een zogenaamde
veldsterktemeting. In opdracht van het
Antennebureau voert Agentschap Telecom ieder jaar zo'n 50 metingen door heel
Nederland uit. De resultaten van deze veldsterktemetingen vindt u
hier.
Blootstellingslimieten in Nederland en andere Europese
landen
Nederland hanteert de blootstellingslimieten die in 1999 door de Raad van Europa
zijn aanbevolen. Dit zijn de ICNIRP-limieten. Ondanks dat er geen
wetenschappelijke aanwijzingen zijn dat de veiligheidsfactor 50 van de
ICNIRP-limiet niet voldoende is, zijn er een aantal landen die voor een hogere
veiligheidsfactor kiezen. Voorbeelden zijn Italië waar bijvoorbeeld een limiet
van 6 V/m geldt en België waar is voorgesteld om de limiet te verlagen naar 3
V/m. Overigens is de gemeten veldsterkte in onze leefomgeving in deze landen net
zo hoog als in de landen die wel de ICNIRP-limieten hanteren.