De wet- en regelgeving voor de telecommunicatiesector is opgenomen in de Telecommunicatiewet. Hierin worden de hoofdregels waaraan telecommunicatiebedrijven zich moeten houden, omschreven. Het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie maakt het voorstel voor de inhoud van deze wet.
De Europese Unie (EU) bepaalt voor een groot deel de telecommunicatieregelgeving in de Europese lidstaten. Op deze manier wil de EU de goede positie van Europa op de telecommunicatiemarkt behouden en verstevigen. De Nederlandse telecommunicatieregelgeving is dan ook grotendeels gebaseerd op de Europese richtlijnen.
Inhoud wet en handhaving
In de Telecommunicatiewet zijn regels opgenomen over zeer veel verschillende
onderwerpen. Bijvoorbeeld over frequentiebeleid (Hoofdstuk 3), nummerbeleid
(Hoofdstuk 4), marktregulering (Hoofdstuk 6), consumentenbescherming (Hoofdstuk
7), universele dienst (Hoofdstuk 9), randapparaten (Hoofdstuk 10),
privacybescherming (Hoofdstuk 11), veiligheid (Hoofdstukken 13 en 14) en
handhaving (Hoofdstuk 15).
Agentschap Telecom houdt toezicht op de handhaving van de Telecommunicatiewet. Zij richt zich vooral op een goed gebruik van frequenties, bijvoorbeeld voor mobiele telefonie. De OPTA is de andere toezichhouder. De Onafhankelijke Post en Telecmmunicatie Autoriteit, is een ZBO (Zelfstandig BestuursOrgaan). Deze onafhankelijke toezichthouder houdt zich veelal bezig met marktregulering en consumentenbescherming.
Site-sharing
In de Telecommunicatiewet is ook de verplichting tot het delen van
antenne-opstelpunten geregeld. Het delen van antenne-opstelpunten wordt
site-sharing genoemd. Wil een operator een antenne plaatsen op/aan een
bouwwerk dat in eigendom is van één van de andere operators, dan moet er
onderling op technisch, constructief, financieel en juridisch gebied afstemming
gezocht worden. Meestal gaat het bij site-sharing om een antennemast
die door de ene operator is gebouwd en waar een andere operator zijn installatie
in hangt.
Bij site-sharing zijn mobiele operators in principe verplicht te voldoen aan verzoeken van andere operators tot het medegebruik van antenne-opstelpunten. De eigenaar van het desbetreffende bouwwerk kan het medegebruik in het algemeen alleen weigeren wanneer het op technische bezwaren stuit, zoals storing van de gebruikte frequenties, te weinig beschikbare ruimte of tekort aan draagkracht van de installatie.
De verplichting tot site-sharing is opgenomen in artikel 3.11 lid 1 van de Telecommunicatiewet:
“De houders van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte die bestemd is voor het aanbieden van openbare telecommunicatienetwerken of openbare telecommunicatiediensten, zijn over en weer verplicht te voldoen aan redelijke verzoeken tot het medegebruik van antenne-opstelpunten. Hierbij worden in ieder geval de technische mogelijkheden in acht genomen.”
Site-sharing en C2000
De aanbieders van de niet openbare telecommunicatie netwerken (C2000) hebben
geen verplichting tot site-sharing en kunnen dit dus weigeren.
Overigens heeft het rijk, vanuit haar behoefte om rijkseigendommen beschikbaar
te stellen als antenne-opstelpunt, afspraken gemaakt om het plaatsen van
antennes aan C2000 masten te vergemakkelijken.
Gemeentelijke autonomie
Een eventuele verplichting voor gemeenten om mee te werken aan de plaatsing van
zendinstallaties, c.q. de uitvoering van de verleende licenties, is niet
opgenomen in de Telecommunicatiewet. Sterker nog, de wet respecteert de
gemeentelijke autonomie volledig en kent de verplichting voor
licentiehouders/telecomaanbieders om hun zenders/ontvangers zoveel mogelijk te
combineren, zodat gemeenten niet worden geconfronteerd met een woud aan
zendmasten.